Tempo aanleren bij de o7!
Bij de jongste jeugd (O7) wordt vaak vier tegen vier gespeeld. Voor veel kinderen is dit de leeftijd waarop zij voor het eerst echte wedstrijdjes spelen op de club, soms zelfs al tegen andere verenigingen. Alles is nieuw: het veld, de tegenstander, de spelregels en het idee van samen spelen.
Voor trainers is dit een prachtige, maar ook lastige fase. Want hoe leer je kinderen iets tijdens een wedstrijd, terwijl ze vooral bezig zijn met de bal, met elkaar en met alles wat er om hen heen gebeurt? Dat is niet eenvoudig — en dat hoeft het ook niet te zijn. Juist bij deze leeftijd gaat het niet om tactische perfectie, maar om het aanleren van basisgedrag dat past binnen de visie van de club.
Gedrag vóór tactiek
Naast het leren van spelregels willen we bij de jongste jeugd gedrag aanleren dat past bij hoe wij voetbal zien. Gedrag dat kinderen helpt om later makkelijker door te groeien, maar vooral ook nu al bijdraagt aan spelplezier en intensiteit.
Binnen de O7 kan je twee eenvoudige principes hanteren:
Principe 1: Wij staan bij een spelhervatting altijd eerder klaar dan de tegenstander.
Principe 2: Wij dribbelen een uitbal of cornerbal altijd binnen vijf seconden in.
Deze principes zijn bewust simpel gehouden. Ze zijn concreet, herkenbaar en sluiten aan bij de belevingswereld van jonge kinderen. Binnen de spelvorm vier tegen vier willen we dat spelers altijd eerder klaarstaan dan de tegenstander. Daarmee leren we hen dat voetbal een spel is dat op tempo wordt gespeeld.
Wat bedoelen we met ‘eerder klaarstaan’?
Bij een uitbal of corner zien we vaak hetzelfde gebeuren: één speler loopt rustig naar de bal, terwijl de anderen wat om zich heen kijken, met elkaar praten of nog bezig zijn met het vorige moment. Het spel ligt stil, de intensiteit zakt weg en de aandacht verdwijnt.
Juist daar ligt een kans. We willen kinderen leren dat we sprintend de bal ophalen als deze uit het veld is en dat we het spel zo snel mogelijk hervatten;
Ook als dat betekent dat we in het veld nog niet helemaal ideaal gepositioneerd zijn. Liever snel beginnen dan wachten tot alles klopt.
Een simpele manier om dit te begeleiden is door hardop tot vijf te tellen. Tel bij elke spelhervatting: “1… 2… 3… 4… 5…”. Lukt het de spelers om binnen die tijd het spel te hervatten? Dan benoem je dat positief. Lukt het niet, dan is dat geen probleem, maar wel een leermoment.
Niet wachten = signaal afgeven
Belangrijk hierbij is de rol van de trainer. De speler die de bal ophaalt, is vaak later klaar dan de spelers in het veld. Hij moet immers de bal op halen. Als die speler vervolgens moet wachten tot iedereen ‘goed’ staat, geven we onbewust een verkeerd signaal af.
Daarom spreken we af: we wachten niet.
Als de bal er is, moedigen we de speler met de bal aan om direct te starten. Ook als medespelers nog niet perfect staan. Zo leren kinderen dat:
zij zélf verantwoordelijkheid hebben;
tempo belangrijk is;
en dat stilstand niet loont.
Als trainers zijn we hierin duidelijk en consequent. Dat helpt kinderen om het gedrag sneller te begrijpen en toe te passen.
Wat is ‘goed staan’ bij O7?
Om kinderen te helpen, moeten we als trainers eerst zelf helder hebben wat we bedoelen met ‘goed staan’. Dat vraagt om concrete en eenvoudige uitleg.
In verdedigende context kun je bijvoorbeeld zeggen:
“Als je tenen en je neus naar de bal wijzen, dan sta je goed.”
Wil je een stapje verder gaan, dan voeg je toe:
“En we doen dat tussen de bal en ons doel.”
Meer is op deze leeftijd vaak niet nodig.
In aanvallend opzicht kun je spelers een plek geven om naartoe te lopen. Maar begrippen als ‘breed staan’ of ‘ruit vormen’ zijn abstract voor jonge kinderen. Daarom helpt het om dit visueel en tastbaar te maken.
Het ‘spekkie’ als hulpmiddel
Neem tijdens een training waarin je dit wilt behandelen een paar pionnen mee en leg deze in het veld in de vorm van een spekkie (een ruitvorm). Een ruit is een vaag begrip, maar een spekkie onthouden ze wél — zeker als ze deze na de training mogen opeten.
Leg bij een partijspel schijfjes in het veld in de vorm van een spekkie. Gaat de bal uit, dan is de opdracht:
één speler haalt de bal zo snel mogelijk op;
de anderen rennen direct naar een schijfje.
Zo oefenen ze hun startpositie bij een spelhervatting, zonder dat je veel hoeft uit te leggen. Na een paar keer stel je de vraag:
“Kunnen we dit volgende week ook zonder schijfjes?”
Hoe maak je dit trainbaar?
Om dit gedrag echt eigen te maken, helpt het om het principe breder door te trekken in de training. Maak van ‘vijf seconden’ een vast thema.
Voorbeelden:
Binnen vijf seconden verzamelen bij de trainer.
Binnen vijf seconden in een aangewezen positie staan.
Binnen vijf seconden starten na een spelhervatting.
Door dit consequent te herhalen, wordt tempo normaal. Niet omdat je het zegt, maar omdat je het steeds laat ervaren.
Tot slot
Bij O7 draait het niet om winnen, systemen of perfecte uitvoering. Het draait om herkenbaar gedrag, spelplezier en veel herhalingen. Door simpele principes te kiezen — zoals sneller klaarstaan dan de tegenstander — geef je jonge spelers houvast.
Als trainer hoef je het niet ingewikkeld te maken. Wees duidelijk, wees consequent en wees positief. Tempo leer je niet door uitleg, maar door het steeds weer te doen. En juist bij de jongste jeugd leg je daarmee een fundament waar spelers later veel profijt van hebben.
We hebben het nu over de O7, maar dit past natuurlijk ook prima bij de O8, O9 en O10!
Lars van Halteren
lars@voetbalopleidingscentrum.nl

